| |
|
|
Landen / Namibia
| Details over Namibia: |
| oppervlakte: 824.292 |
| aantal inwoners: 1.648.000 |
| hoofdstad van Namibia: Windhoek |
| godsdienst(en): Christelijk, inheemse godsdiensten |
| talen: Engels, Zuid-Afrikaans, Duits |
| analfabetisme: 62 |
| levensverwachting: 41 |
| bruto nationaal inkomen: 3.700 |
| economie: Industrieel: vlees- en visverwerking |
| bijzonderheden over Namibia: Namibië is van 1884 tot 1915 een Duitse kolonie geweest. Na de Eerste Wereldoorlog komt het gebied enige jaren onder Brits gezag. In 1921 krijgt de Unie van Zuid-Afrika een mandaat van de Volkenbond tot tijdelijk bestuur van Zuidwest Afrika. Dit mandaat wordt in 1966 door de Verenigde Naties opgeheven. Zuid-Afrika weigert echter zich terug te trekken, en blijft het gebied bezetten. Na jaren van impasse maakt het welslagen van onderhandelingen tussen Zuid-Afrika, Angola, Cuba en de Verenigde staten in 1988 de weg vrij voor de onafhankelijkheid van Namibië. Meer dan 41000 bannelingen, waaronder Sam Nujoma, keren naar huis terug. De eerste vrije verkiezingen, van 7-11 november 1989, leveren een grote overwinning voor het SWAPO op. Sam Nujoma wordt president. Op 21 maart 1990 verkrijgt Namibië de onafhankelijkheid.
Op 28 februari 1994 wordt de enclave Walvisbaai als laatste gebiedsdeel door Zuid-Afrika aan Namibië overgedragen.
In Namibië liggen sinds de onafhankelijkheid de twee volgende aspiraties ten grondslag aan het handelen van de regering:
Het streven naar nationale verzoening
De transformatie naar een democratische, marktgeoriënteerde samenleving.
Namibië heeft de afgelopen jaren een grote mate van politieke en maatschappelijke stabiliteit gekend. Het apartheidsregime laat weliswaar nog steeds zijn sporen na, en de verschillen tussen arm en rijk blijven enorm. Desalniettemin is er betrekkelijk weinig sprake van raciale spanningen of maatschappelijk protest. De regering geeft in toenemende mate blijkt van een intolerante houding ten aanzien van een diversiteit aan groepen die ‘onwelgevallig gedrag’ vertonen, waaronder homo’s, Afrikaanssprekenden en de pers.
Na de inzet van de landkwestie in het politieke machtsspel in Zimbabwe, heeft landhervorming ook in Namibië aan belang gewonnen. De emoties kunnen daarbij hoog oplopen, maar vooralsnog geeft de regering blijk van een rationele opstelling.
De erfenis van het apartheidsstelsel is nog steeds op veel fronten merkbaar. Ondanks het beleid van positieve discriminatie jegens voorheen achtergestelde groeperingen, valt het blanke bevolkingsdeel nog steeds , zowel in de overheid als in de particuliere sector, een buitenproportioneel deel van de economische macht ten deel. De meerderheid van de bevolking is afhankelijk van communale landbouw en veeteelt, die gevoelig zijn voor de grillen van het klimaat. Het scheppen van werkgelegenheid is een van de grootste problemen waarvoor de overheid zich geplaatst ziet, waarbij het onderwijsniveau een belangrijke factor is.
In het midden en zuiden van het land wonen en werken vele Namibiërs nog als landarbeider op commerciële landerijen, onder vaak zeer slechte omstandigheden. Kinderarbeid vormt hier geen uitzondering. Ook in het relatief dichtbevolkte Noorden is het aantal formele banen schaars. Steeds meer mensen trekken daarom naar de steden.
Wat betreft arbeidsvoorwaarden en sociale voorzieningen is veel wet- en regelgeving in de maak. Sinds 1996 dragen werkgevers verplicht premie af voor ziekte, invaliditeit en overlijden. Gezien de beperkte middelen van de overheid zijn deze echter van zeer laag niveau.
De regering geeft prioriteit aan eerstelijnsgezondheidszorg op het platteland, en heeft de uitgaven hiervoor gestaag verhoogd. De belangrijkste gezondheidsproblemen in Namibië betreffen: de hoge moeder- en babysterfte (40% van de sterfte onder vrouwen in de reproductieve leeftijd hangt samen met zwangerschap en geboorte), vermijdbare kinderziektes, malaria , tuberculose en AIDS. In 1998 was 20 % van de beroepsbevolking met het HIV-virus besmet (schatting WHO en UNAIDS).
Het onderwijs krijgt speciale aandacht van de regering, een kwart van de begroting is hiervoor gereserveerd. In enkele jaren is een grote vooruitgang geboekt. De participatiegraad van meisjes in het onderwijs is inmiddels volstrekt gelijk aan die van jongens. De positie van vrouwen laat verder echter nog veel te wensen over. De graad van participatie in de politieke besluitvorming is klein, en de sociaal-economische positie slecht. Bovendien is er sprake van veel geweld tegen vrouwen en kinderen, inclusief seksueel misbruik. Een op de vijf meisjes van 17 jaar of jonger is zwanger. 42% van de bevolking is overigens jonger dan 15 jaar, wat betekent dat in de komende jaren veel aandacht zal moeten worden besteed aan deze groep. |
reisverslag:
Namibie
Reisverhalen en Foto's
Waypoints
Tips en bijzonderheden
Klik hier voor reisverhalen Zuid-Afrika
Reisverhalen en foto's
Verblijf van 19 januari – 16 februari 2004
Grenspost met ‘ruikhonden’ en ‘gaappersoneel’. Maandagmorgen (19 januari) staan we om acht uur bij de grenspost. Dat is natuurlijk niet zo heel moeilijk als je nog geen kilometer van de grens kampeert. De oversteek naar Namibie is een ‘koekie’. Bij de Zuid-Afrikaanse zijde wordt er nog gecontroleerd door een ‘daggahond’ (een hond die ruikt of er drugs in de auto zit). Op sommige plekken hebben ze ook honden die op wapens inspecteren. Goed systeempie! Bij de Namibiese kant zijn ze liever lui dan moe. Ze doen niet moeilijk, hoor! Nee, dan moeten ze teveel inspanning leveren. ‘Gaap. Goedemorgen. Gaap (nog niet uitgeslapen ofzo). U moet dat formulier invullen. Leunt achterover en gaapt. Moeten wij dit ook invullen? Eh… gaap, komt overeind: nee, dat is niet voor jullie. Gaap, gaap en laat blijken geen zin te hebben. Of we ook nog even 200 Namibiese dollars voor de auto’s willen betalen. Doet geen moeite om naar voren te komen om het geld in ontvangst te nemen. Gaapt nog eens. Moeten we nog iets anders doen? Nee, nou da’s mooi. Een hele fijn dag voor u! Dank, gaap!

Indrukwekkende canyon Na een paar kilometer wordt de weg onverhard, maar deze is van prima kwaliteit. Als dat zo blijft… makkie. Het rijdt nog geluidlozer dan asfalt! Behalve warm is het hier ook nog een ‘niks’. Er is gewoon niets te zien. Zand, een beetje stenen, af en toe een struikje en een weg. En dat kilo kilometers lang. Het zand verblind je bijna, zonnebril onmisbaar. Aan het eind van de middag komen we de Visrivier Canyon aan. De Visrivier die uiteindelijk in de Orangerivier zal uitmonden, loopt eerst door een 160 kilometer lange kloof. De kloof (canyon) is 27 kilometer breed en heeft op sommige plaatsen en diepte van 550 meter. Zoals de ‘Lonely Planet’ het beschrijft, ‘a dramatic canyon’. Ongelofelijk mooi en indrukwekkend. We rijden noordwaarts langs de canyon tot bij Hobas, waar een camping is en waar de ‘staproute’ begint. In vijf dagen kun je 85 kilometer door de canyon lopen, wat zeer zeker adembenemend moet zijn. Nu, in de zomer, is het verboden naar beneden te gaan, je zou dood gaan van de hitte in de kloof. Vooral in de namiddag en vooravond zijn de kleuren geweldig en we genieten van elk uitkijkplekje. Omdat het zo mooi is, besluiten we er de volgende morgen nog een kijkje te nemen. Morgenlicht heeft toch iets anders dan avondlicht. Tegen zevenen zitten we bij de Visrivier Canyon te ontbijten. De zon komt hoger en hoger en we krijgen steeds meer te zien van de kloof. (schaduw is tussen bergen echt donker!) Tegen achten nemen we afscheid van dit fantastische natuurwonder en rijden richting Luderitz.
Niets heeft toch wel iets! Voor ons Nederlanders is het moeilijk om een voorstelling te maken van ‘niets’. Honderden kilometers langs een zelfde weg en landschap rijden en vier auto’s tegenkomen. Namibie met een oppervlakkte van 825.000 vierkante kilometer, telt slecht 1.6 miljoen inwoners!
Warm, zand, beetje stenen bergen… In al deze ‘niksigheid’ wordt een nieuwe spoorlijn tussen Luderitz en Keetmanshoop (350 kilometer) aangelegd. In de hitte (geen schaduwplekje te bekennen) werken, en die spoorlijn moet verder aangelegd zonder dat je het einde kan zien… geen bocht, geen boom, geen een punt om naar toe te werken. En dan na uren en uren, kom je in Luderitz, een dorpje aan de zee. We doen boodschappen en zoeken naar een kampplek. Deze laatste is op een mooi puntje van het schiereiland in de zee, maar het waait zo verschrikkelijk hard dat je amper uit je auto kunt komen, laat staan slapen in de tent op het dak! We besluiten eerst nog rond te rijden op de Luderitz Peninsula en zien wat de wind gaat doen. De omgeving is mooi en saai tegelijk. Niets heeft toch wel iets! Aan het eind van de middag is de wind ietsiepietsie minder en we besluiten het erop te wagen. Het plekje is bijzonder mooi: vanuit je tent uitzicht op zonsondergang op zee, dolfijnen die door het water springen, meeuwen die boven je hoofd krijsen, klotsen van de golven tegen de rotsen. Weer, alweer, zo’n mooi plekje. Het houdt niet op.

Ghost Town – Kolmanskop Wie zou ooit gedacht hebben dat in deze ‘niksigheid’ talloze diamanten liggen? We moeten even terug in de geschiedenis, begin 1900. Toen heeft een voortrekker vanuit Zuid-Afrika met zijn ossenwagen gereden en is gestrand in dit gebied. Daar is hij gaan huizen gaan bouwen. En toen vond men stenen die er toch wel apart uitzagen… wat echte diamanten bleken te zijn! Omdat Namibie toen onder Duits beheer was, begon het balletje te rollen. Het diamant zoeken en bewerken begon. In deze begintijd werden zelfs broden en water tegen diamanten geruild! Het ‘diamantdorpje’ Kolmanskop heeft dienst gedaan tot 1956. Sindsdien staan de huizen, school, ziekenhuis en kleine werkplaatsen leeg en hebben wind en zand hun dienst gedaan om het een spookdorp te maken. Half vergane huizen die tot halverwege in het zand zijn gewaaid hebben iets heel aparts en wij, ‘fotomaakliefhebbers’ genieten van het zoeken naar en maken van prachtige plaatjes.

Adembenemend mooi… Omdat er verder in Luderitz of Kolmanskop niet zo veel te beleven is, blijven we niet nog een nacht daar maar ‘gaan verder’ richting Sesriem en zullen kijken hoever we komen. We doen eerst nog even boodschappen doen en kopen een heerlijk broodje die we beleggen met een dikke plak (duitse) ham en komkommer. Dat is wel even genieten van een ‘brodchen Schinken’. En weer worden we geconfronteerd met ‘veel van niks’. Toch genieten we daar ook van. De wolkenlucht boven het kale landschap is eigenlijk gewoon mooi! Ergens daar in ‘niemandsland’ is een benzinestationnetje. En omdat we al geleerd hebben: ‘als daar water (of diesel of wat dan ook) is, skep jy’ maken we de tanken weer vol, ook al zijn ze nog niet helemaal leeg. Laat in de middag van de 21e januari komen we aan in Sesriem, een plaatsje wat net voor het ‘rode zandduingebied’ licht. Onderweg hebben we al een voorproefje gehad en zagen hier en daar al een rode zandduin. Omdat het bij zonsopgang en zonsondergang het mooiste is (om foto’s te maken), staan we de volgende dag voor vijven naast onze tent en rijden half zes richting de duinen. Het is nog donker, vroegochtenddonker. Maar hoe mooi zijn de eerste zonnestralen over het landschap! En steeds meer en meer openbaren zich de duinen aan ons netvlies… wat ontzettend mooi! Adembenemend mooi. Wat is Gods schepping rijk! Het is geweldig om over het ‘randje’ van de duin naar de volgende te lopen en daarachter weer duinen te zien.
‘s Middags rijden we weer de 65 kilometer, maar kunnen het onderweg niet laten om steeds maar weer uit de auto te gaan, de mooie vormen en kleuren van de duinen bewonderen en te fotograferen. Wat een wereld gaat er in zo’n dag voor je open… De volgende dag hebben we een weer een duinendagje en verder wordt er wat gerommeld aan de Laro’s. Ja ja, dat je een LandRover hebt, zul je weten. Er is altijd wel iets te reparen, olie bij te vullen en nu is de hoofddieseltank van de groene Landie ook lek… (een klein gaatje door een schurend steentje tussen de tank en beschermingsplaat) ‘Sekondjeslijm’ roept Jan alweer. Deze keer is het gekheid natuurlijk, maar wat we al niet met de ‘sekondjeslijm van Jan’ gemaakt hebben: gebroken staafjes, schoenzolen, cameradopje, zelfs een scheur in een spijkerbroek. Voor reizigers is secondenlijm absoluut een ‘must’! We hebben blijkbaar wat met dieseltanken, de reservetank van de witte en nu de hoofdtank van de groene lek. ‘Bietje balen is het wel’. Met zeep wordt het een en ander tijdelijk gefikst, maar het houdt niet voor langere tijd. Maar een stukje rubber en een popnagel wil misschien nu wel even helpen. We moeten zeker uitkijken naar een ‘fikser’ (iemand die ‘m kan reparen) of zelfs een nieuwe tank. Maar o.a. daarvoor gaan we naar Swakopmund.
Een impressie van Sossusvlei-duinen “It is not the eye that sees but the soul.”

Reparatiedagen Van zaterdagavond tot en met woensdag (24 t/m 28 januari) kamperen we bij Myl 4 in Swakopmund. De camping is eigenlijk aan zee, maar je kunt er vanaf de camping niet komen want er staat schrikdraad om de camping heen. Wat wel heel gaaf is, zijn de vele pelikanen. Vooral als de vissers ‘s middags hun vis komen schoonmaken op een daarvoor bestemde plek, zien we de ware aard van het beestje. Wat een ongelofelijke snavels! Hele vissen gaan die bekken in, die zonder moeite letterlijk ‘door hun strot’ gaan.
Allereerst de dieseltanken. Op maandag vinden we iemand die de ene dieseltank wel kan lassen en aan een andere reservetank kan komen (komt dinsdag). Niet gek. We bekijken ‘Swakop’ en lezen e-mail in een internetcafe. Het is elke keer weer heerlijk om verhalen uit Nederland te lezen! Als tweede moeten wat tanden en kiezen gerepareerd worden. Bij Sjoerd zit een vulling los en Jonneke voelt af en toe kieszenuwen en een grote spleet waar steeds eten tussen gaat zitten is wel lastig, moet toch maar even gecontroleerd worden voor we de ‘echte bush’ weer ingaan en een tandarts waarschijnlijk ver te zoeken is. Als we dinsdags bij de tandarts gaan vragen of er plek is, is het antwoord: we zitten heel erg vol, maar kom morgenochtend hier zitten, misschien dat je dan ergens tussendoor geholpen kan worden. Zo gezegd, zo gedaan. Acht uur bij de tandarts zitten en al voor negenen geholpen worden, is geen slechte deal, toch? Jonneke’s gebit moet het nog even uit kunnen houden met aanwijzingen voor poetsen en flossen op de lastige plekken (teruggetrokken tandvlees zorgt voor ‘zenuwpijntjes’), maar bij Sjoerd moet er wel wat gefikst worden. Een nieuwe (nood) vulling erin. Morgen terugkomen. Intussen waren de tanks klaar, dus aan het eind van de middag lagen de heren weer onder de auto om die dingen weer vast te maken. Dan weer terug naar dorp om de tanken vol te maken. Als de tank van Big Foot (groene Landie) driekwartvol is, roept Sjoerd: ho stop! NEE!!.. het stroomt met een straaltje onder uit de tank Ajajajajaj foute boel. Volgens Sjoerd ligt het aan een rubber wat waarschijnlijk ergens tussen had gemoeten. Snel naar huis rijden, tank leeghalen (reserve jerrycans komen zo nog van pas!), wat sleutelen, inderdaad rubber ertussen en inderdaad, dat was het mankement. Al met al heel wat minutjes bijelkaar uurtjes onder de auto liggen. (goed voor de buikspieren!) Komt er iemand die ook op de camping staat langsrijden met een Toyota, draait het raampje open en zegt met een grijns: ‘Buy ‘n Toyota’. Altijddurende discussie tussen LandRover en Toyota, welke de beste is. Tja Mensen met geld kopen een Toyota, mensen met lef en handigheid een LandRover?
Onderweg zie je zoveel Intussen zijn Peter en Nicolien ook in Swakopmund aangekomen. Gaaf weerzien! Deze mensen hebben ons geholpen in Ghana met het verschepen enzovoorts. Omdat zij nu ook ‘rondje zuiden’ gaan doen, zullen we een eindje met elkaar meerijden. En zo vertrekken we op de vroege morgen van de 29e januari met drie auto’s richting Brandberg (noorden). Semi-desert zul je het noemen: stenen, zand en af en toe een struikje. Maar hier zien we voor het eerst 'welwitschia’s’ of in Afrikaans ook wel ‘tweeblaarkanniedood’ genoemd. Een plant/boom die eigenlijk maar twee bladeren heeft, maar deze drogen door de wind en zon en splijten in meer stukken. Kleintje welwitschia’s zijn al tussen de 50 en 100 jaar oud. Grote exemplaren zijn al gauw meer dan 1000 jaar oud! Geweldig om zulke dingen te zien: misschien op het eerste gezicht zelfs lelijk, maar eigenlijk hebben ze prachtige bladeren en vooral nu ze bloemen hebben is het helemaal mooi! Aan de bloemen kun je trouwens zien of ‘t een mannetje of vrouwtje is. Verderop nemen we nog een kijkje bij Cape Cross. Daar moeten veel zeeleeuwen zitten. Maar de lucht is grijs en grauw, niet ideaal om zeeleeuwen in de verte te zien althans, dat dachten we. Als eerste horen en ruiken we het een en ander. Mensenkinderen wat een lucht komt er van die beesten af. (jammer dat je op foto’s en films niet kunt ruiken) En wat een vreselijke herrie kunnen ze maken. Komen we wat dichterbij: liggen er duizenden, tienduizenden zeeleeuwen op het strand of spelen met de golven. En wat het extra bijzonder maakt: ze hebben net jongen gekregen, dus liggen er honderden kleine zeeleeuwtjes tussen. Dit is echt geweldig! Met zoveel dieren voor je, verveel je je echt geen moment!
Volgens Peter en Nicolien (en zij hebben het van de Lonely Planet, dus zij kunnen het weten geintje) heb je in de buurt van Brandberg een Rhino National Camp waar nog zwarte neushoorns te zien zijn. Deze dieren worden met uitsterven bedreigd en zijn op maar heel weinig plaatsen in de wereld te zien. Zeker de moeite waard om een kijkje te nemen. Het pad is af en toe lekker 4x4 (four wheel drive) wat wel gaaf is. Om een uurtje of vier hebben we het wel gehad en trouwens: vier uur = bieruur! Tijd om te stoppen en gelijk maar kamperen. Op een grote vlakte en wie weet komen er wel neushoorns, olifanten of bokken hier op de vlakte. Een koude avond en nacht met veel wind, maar geen wild. Is dat even jammer.
Neushoorns!? Maar we zijn de volgende dag nog geen uur onderweg of er komt zo’n honderd meter voor ons van rechts een bulletje neushoorn aangedenderd, dwars over de weg. Hij rende echt wel hard, dus foto’s nemen was er niet bij, maar we hebben een zwarte neushoorn gezien! Wowiedewowie! Goed links en rechtskijkend rijden we verder, op zoek naar ‘meer’. Springbokken, gemsbokken, jakhals en zelfs giraffen! Te gek. Nog een uurtje (ofzo) later ziet Sjoerd opeens aan de linkerkant van de weg drie neushoorns! Twee grote en een kleintje. Met dat ze ons zien stuiven ze om de heuvel weg. Maar de ‘durfallers’ onder ons klimmen de heuvel op om ze beter te bekijken en als het kan foto’s te maken. Met de telelens kun je ze aardig in beeld krijgen, (sorry, op onze digitale camera zit geen telelens) en ze staan daar lustig op los te fotograferen tot er een zo’n beest opstaat en een overduidelijk maakt geen verdere belangstelling te hebben. Tijd om te vertrekken. Gaafgaafgaaf. Gewoon rhino’s gezien, in het echt, in het wild.
Bushmentekeningen De rest van de dag hebben we drie ‘bezienswaardigheden’ bezocht. Allereerst de ‘orrelpype’, rotsen in staafvorm die inderdaad iets weghebben van orgelpijpen. Wel mooi, niet heel erg bijzonder. Daarna zijn we naar Twyfelfontein gereden. Daar zijn veel nog originele bushmantekeningen. De bushmens gebruikten de rotsen om verhalen te schrijven en om les te geven. Deze ‘bosjesmannen’ zijn hele bijzondere mensen: kunnen heel lang zonder water en als ze echt water nodig hebben, kunnen ze water vinden wat diep in de grond zit. Zelfs uit wortels halen ze hun vocht. Het zijn mensen die heel hard kunnen lopen en erg goed met pijl en boog jagen. Helaas, helaas zijn deze mensen door de komt van andere stammen verdreven en zijn er eigenlijk bijna geen bushmen meer die zo in de oorspronkelijke stijl leven. Overblijfselen als rotstekeningen zijn daarom waardevol. De gids neemt ons mee langs wel vijftien verschillende rotsen, waar tekeningen ingekerfd zijn van handen, voeten, dieren en hun pootafdrukken en zelfs van gebruiksvoorwerpen zoals een soort fiets! Trouwens, hoe noem je de vrouw van de bosjesman? Een takkenvrouw. Twijfelfontein dankt zijn naam overigens aan een soort fontein/waterbron die het dan wel, dan niet doet. Letterlijk een twijfelfontein dus.

Aan het eind van de middag bezoeken we nog ‘Petrified Forest’. ‘Honderdmiljoen jaar geleden’ zijn bomen vanuit Zambia met een rivier of overstroming naar o.a. dit gebied gestroomd en zijn daar door de druk van water en zand (silitium) door de tijd heen versteend. Je zag talloze stukjes -voor het oog- hout liggen, maar wat nu steen is geworden. Als je zo’n steen oppakt of bekijkt, zie je de jaarringen van de bomen duidelijk zitten. Een wonderlijk natuurverschijnsel. Na zoveel indrukken zijn we moe en daarom kamperen we wild, ergens tussen de bergen. We braaien een lekker stukje vlees, eten er salades bij en na een kop koffie en thee is het om een uur of negen bedtijd. Het is wederom veel te koud buiten, je bed is dan dubbelaantrekkelijk.
Als je met ‘vroege vogels’ als Peter en Nicolien meereist, ben je dus ook vroeg je bed uit, ontbijten en vroeg op pad. Jan vindt het ‘dikke prima’ en ja, de anderen eigenlijk ook wel. Volgens de ‘locals’ moeten hier in de buurt echt woenstijnolifanten zijn, dus we gebruiken oren en ogen goed. Helaas zonder resultaat, geen olifant, zelfs geen enkel spoor (voetstappen of uitwerpselen). Maar we hebben wel weer prachtige giraffen gezien, inclusief bokken, arend, grondeekhoorns en struisvogels.
Lifters! Wat doe je als er een oud mensje aan de kant van de weg vraagt of we willen stoppen? Je vraagt hoe het gaat en of we kunnen helpen. Brood, honger, Sesfontein was ongeveer het antwoord. ‘Oh, of we naar Sesfontein gaan, ja inderdaad ja. Meerijden? In de auto hebben we geen plek, wel op de auto.’ Inmiddels was er een andere vrouw bijgekomen en er wordt in een of ander klik-klak-klong taaltje overlegd en ja hoor, de dames willen graag mee (veel gegiebel en gegrinnek). Tassen op het dak, vrouwen op het dak en rijden maar. Ruim tachtig kilometer is het nog naar Sesfontein. Als we na een poosje vragen of alles goed gaat, we niet te hard rijden enzovoorts, kijken ze ons aan alsof ze zeggen willen: wat doe je moeilijk, het gaat toch goed zo? Onderweg horen we af en toe hard kletsen op het dak, ze maken het goed daarboven. Als we in Sesfontein komen, zijn onze lifters blij dat ze er zijn (tenminste dat denken we, na 80 km. op het dak gezeten te hebben) tanken we diesel, kopen brood en maken een praatje met de mensen. De mensen die we tot nu toe tegen zijn gekomen, zijn bijzonder vriendelijk. Maar wat helemaal gaaf is, we zien voor het eerst Himba-mensen.

Himba en Herero, twee toch wel bijzondere stammen die je veel in Namibie tegenkomt. Het is misschien wel leuk om kort iets over deze mensen te vertellen. De kleurig geklede Hererovrouwen, zijn grote, statige en ietwat hooghartige mensen. Hun kleding is een afgeleide van de kleding die de Duitse missionarissen droegen in de late 19e eeuw. De kleding van de mannen is een variatie op de Schotse ‘tartan kilt’. Deze mensen willen meestal niet gefotografeerd worden, omdat dat je dan iets van henzelf meeneemt. Himba stammen af van een groep Hereroherders die ‘verplaatst’ waren tijdens een van de oorlogen in de vroeg 19e eeuw. Ze hebben hun semi-nomadisch leven weer opgepakt en hielden schapen en geiten. Himba-vrouwen hebben een speciale dracht: een meerlagig geitenleren rokje met schelpjuwelen. Ze smeren hun huid in met een mix van boter, as en oker, wat de huid jong houdt. Ook hun haar bewerken ze met dit spulletje, het ziet er echt mooi en apart uit. Aan het model van het haar kun je afleiden of het een maagd, vruchtbare- of getrouwde vrouw is.
Maar goed, zomaar een heleboel Herero-vrouwen en een heel leuk, lief en verkreukeld oud Himba-vrouwtje. Als we een ketting van ze kochten, konden we foto’s maken. Het is zo leuk dat je op de digitale camera kan laten zien welke foto je gemaakt hebben. Gillen die vrouwen! Helemaal te gek vonden ze het en zodoende krijgen we voldoende gelegenheid om deze mensen op de foto te zetten. Marianne krijgt zelfs van een grote dikke Hererovrouw een dikke zoen! Dat maak je niet nog een keer mee.
Naarmate we noordelijker komen, wordt het landschap groener: meer en groenere bomen en zelfs groen gras! Daaraan kun je wel zien dat net het korte regenseizoen is geweest (eigenlijk nog steeds, maar wij hebben nog geen drup regen gezien hier). De huisjes, oftewel hutjes, worden ook steeds meer ‘Afrika-achtig’. Klein, rond, rieten dakje. We snappen nog steeds niet hoe deze mensen hier, zo ver bij alles vandaan in de bergen kunnen wonen. Als er een auto langs de kant van de weg staat, houden we stil om te vragen of er iets is. Nee, niets met de auto maar of we naar Upowo gaan. Een van die mannen moet naar Upowo, een kleine honderd kilometer verderop. We vertellen weer dat we in de auto geen plek hebben, maar als ze op het dak willen zitten, oke. Weer wordt er gegiebeld, maar hij zit binnen no-time tussen de kisten bovenop. En rijden maar weer. In Upowo kamperen we de zondag over. Heerlijk weer even douchen, rustig bijkomen, dagboek bijwerken. Na zulke indrukwekkende (letterlijk: veel indrukken) dagen, moet je gewoon even rusten om alles op je in te laten werken. Afrika is zoooo mooi!
Regen! In het noorden is het gelijk een stuk warmer en koude nachten zijn fini. Prima, al is het even wennen. Verschillen van koud en warm zijn de afgelopen dagen groot. Enne.. je moet niet te snel zeggen (schrijven) dat we nog geen regen gezien of gevoeld hebben, want dan krijg je natuurlijk regen. Vannacht wakker geworden door getik op de tent: regen! Wat ruikt ‘t ontzettend lekker En de volgende morgen om half acht brand je je tent uit omdat de zon zo warm is. That’s Africa!
Op bezoek bij de Himba’s! Nu we in het noorden van Namibie zijn, ook wel Himbaland geheten, nemen we de kans waar om bij een Himbadorp te kijken. Een jongen van de camping weet wel een dorpje waar we samen met hem heengaan. Als we de kraal binnenkomen, zien we vanuit verschillende hutjes vrouwen komen met een zak in hun handen. Ze gaan in een kring zitten, stallen hun waar uit en de markt is geopend. Zo gaat dat dus… Kettingen, armbanden, mandjes, bewerkte kalebassen en nog veel meer. We bewonderen, onderhandelen, kopen, maken foto’s en genieten van deze mensen met hun merkwaardig uiterlijk. Van top tot teen zitten ze onder het ‘rode spul’ (boter, as en oker), hun haar bestaat uit dikke slierten ‘rood vet’ en wat we ook beetpakken, het is allemaal rood. Ook hun haarstijl valt nu goed op. Met een beetje uitleg van Nicolien (die hier al eerder is geweest), kunnen we zien of een meisje ongesteld is of getrouwd, dit kan je zien aan de haardracht. Als ze kinderen hebben, is hun haardracht ook weer anders. We hadden al begrepen dat we deze mensen in natura moesten betalen voor het bezoek. Suiker en maismeel. Maar wat we geven, vinden ze niet genoeg. Ze zijn niet tevreden: er moet duidelijk meer komen. We geven het laatste pak wat we bij ons hebben en met tegenzin wordt erin toegestemd.

Peter en Nicolien zijn de vorige dag naar een dorp geweest, wat goed bevallen was en hebben half om half beloofd om daar weer terug te komen. Daarom gaan we met hen mee. Ook het bezoek aan dit dorp heeft twee kanten. In de eerste instantie lijken ze enthousiast en vinden de vrouwen het goed dat we meegaan naar hun kraal. We krijgen uitleg over verschillende gebruiken, mogen foto’s maken, maken lol met de kinderen en een praatje met de mannen. Omdat we de dag ervoor onenigheid over meel en suiker hadden, bespreken we nu van te voren met de gids wat we moeten geven. (Al doende leert men, dit lijkt weer een beetje op west Afrika) Maar als het tijd is om ‘af te rekenen’, blijken het opeens niet meer goed te zijn. Vijf kilo maismeel? Dat moet minstens 25 kilo zijn! Dit wordt nog erger als er een oudere man aankomt die vraagt waar wij het recht vandaan halen om hier te zijn. We leggen uit dat we met de docent van de school meegekomen zijn, dat de vrouwen het goed vonden… maar nee, er moet meer meel en suiker komen om het humeur van deze man goed te maken. Een beetje jammer is het wel om voor de tweede keer zo afscheid te nemen van de Himba’s. Zouden we misschien eerst ergens bij deze mensen kamperen, rijden we nu naar een plek waar niemand is. In een droge rivierbedding slaan we onze tenten op, eten lekker macaroni en bespreken de route voor de volgende dag.

‘s Morgens vroeg staan er weer Himba’s voor ons neus. De meisjes met een deken om zich heen (tegen de kou) en de jongetjes wijzen naar de afvalzak en willen graag lege blikjes en flessen hebben. Jammer dat we niet echt met elkaar kunnen praten, taal kan een grote barriere zijn. Maar zodra we een foto hebben gemaakt, verstaan we hen blijkbaar wel: ten dollar, sugar, mais… We doen alsof we ze niet begrijpen en besluiten maar te gaan rijden, om erger te voorkomen.
Onverwacht terreinrijden! We gaan naar het noorden om zo via een andere weg terug, richting het wildpark Etosha te rijden. Toch sta je wel een beetje raar te kijken als een weg die op een 4x4 kaart staat aangegeven, niet blijkt te bestaan! ‘Die weg was er vroeger, maar is er al lang niet meer.’ Dan maar een ander weggetje (die niet op de kaart staat, maar dus wel bestaat) verder. That’s Africa, man! Verder naar het noorden, betekent verder in het natte gebied en volgens de ‘locals’ is die weg onbegaanbaar. Dat hebben we vaker gehoord en proberen het toch. Als we bij de rivier komen, is ‘ie inderdaad erg vol en op verschillende plaatsen inderdaad behoorlijk buiten z’n oevers getreden. (deze rivier is trouwens tevens de grens met Angola – aan de overkant ligt dus Angola!) Dit kan nog leuk worden. Verschillende keren staan we voor een ‘grote plas’ die eerst verkend wordt: hoe diep, hoe ver, hoe schuin, liggen er stenen. Stiekem vonden we het allemaal toch een beetje spannend om door ruim een meter hoog water te rijden! En elke keer geeft het weer een grote kick als alle auto’ aan de overkant staan uit te druipen. Een keer is het zo hoog dat we onze schoenen in de auto niet droog houden. Maar de auto’s blijven het doen, Land Rover, he!? White Elephant (de witte) en Big Foot (de groene) hebben, met hun chauffeurs, best een schouderklop verdiend! Niet gepland, wel erg tof zo’n onverwacht ‘dagje terreinrijden’. Het wordt een dag van graven, stenen weghakken, takken wegzagen, doorwadingen… en als dan uiteindelijk, een paar kilometer voor het einde, blijkt dat de volgende plas meer dan twee meter diep is? En de omweg door de locals gebouwd, zeker een dag werken kost (weer stenen weghalen, heel schuin op een gravelweg rijden, autos naar beneden lieren) om een kleine kilometer verder met de auto te komen? Dan kijk je elkaar aan en ga je (lachend) terug… Tenminste, zoiets was het wel. Jammer dat we er toch niet helemaal doorheen konden, maar we hebben een toffe dag gehad met kilometerstand – 40. Ach ja, morgen is er weer een dag… En wij kunnen zeggen dat we Angola aan onze rechter – en linkerkant hebben gezien!!

Een lik van een cheetah! Nou jij… Het worden wat kilometertjes terug en halverwege de middag komen we weer in Opuwo aan, waar we inkopen doen en onder andere oliebollen en een geitenpoot op de markt kopen. We blijven niet lang en rijden snel weer richting zuiden. Nicolien is helemaal gek van cheetah’s (jachtluipaarden) en een paar jaar geleden zijn ze ook op een cheetah-farm geweest. Zij willen daar een paar dagen blijven, wij zullen een nachtje daar kamperen en dan doorgaan naar Etosha (wildpark) en dan zien we elkaar over een paar dagen wel weer.

Tenminste… zo was de planning. Reizen is ontdekken. Reizen is op de meest onverwachte momenten iets heel gaafs tegenkomen. Zo gebeurde het ook dit keer. Want om van heeeel dichtbij cheetah’s te zien, te aaien, foto’s te maken en zelfs gelikt te worden door deze ‘grote katten’ is toch wel bijzonder. Vijf cheetah’s zijn eigenlijk een soort huisdier geworden. Om te laten zien dat cheetah’s toch echt wilde dieren zijn, rijden we achterop een ‘bakkie’ (auto met open achterkant) mee als ze de andere 29 cheetah’s gaan voeren. Erg mooi zijn ze. En nu zien we ook dat ze toch ook nog een tikkeltje gevaarlijk kunnen zijn. Brr, wat een nagels en een tanden hebben ze. Met zonsondergang rijden we weer terug… met een nieuwe kijk op cheetah’s, want ze zijn echt mooi!

Nog meer wilde dieren… Ook de volgende dag (5 februari) blijven we nog bij Otjitotongwe Cheetah Farm. We slapen uit, doen rustig aan, wassen, schrijven, sleutelen aan de LaRo’s (o ja, ook aan de Toyota van Peter, Toyata’s mankeren blijkbaar af en toe ook wat..) en aan het eind van de middag krijgen we weer een cheetah-rondleiding. Omdat we nog meer echt wilde dieren willen zien, staan we de volgende dag vroeg op en rijden naar Etosha. Eigenlijk is het de verkeerde tijd voor wildparken: het is regenseizoen en alles is zo groen, dat je moeilijk dieren kunt zien. Al snel begrijpen we dit: wat een dicht woud lijkt het af en toe. Gelukkig heeft Etosha ook minder begroeide stukken en zelfs kale vlakten en zien we op de eerste dag al zebra’s, gemsbokken, springbokken, wildebeesten, hartebeesten (beide ook bokken), giraffen, gieren en nog veel meer vogels. En dan mogen we qua uitzicht in de slechte tijd van het jaar hier zijn, voor de jonge dieren zijn we in de goede tijd. Wat gaaf om kleine zebraatjes, baby-bokjes en giraffen te zien! We zijn zelfs getuige van een halfuur/uur oud springbokje! Het kan nog amper op z’n pootjes staan, het bloed zit nog aan de moeder… werkelijk, om stil van te worden. De volgende dagen staan we vroeg op om net na zonsopgang de schoonheid van de natuur te bewonderen en aan het einde van de middag gaan we er weer op uit: op deze tijden zijn de dieren het meest actief (anders liggen ze in de schaduw onder een boom). Als we een paar gieren in de boom zien zitten en af en toe een rondje vliegen, bedenken we dat er ‘iets’ moet zijn. We kijken en kijken en Sjoerd ziet iets onder een boom liggen. Verrekijker erbij… lijkt wel een hyena. Nog een keer kijken: grote kop. Jonneke kijken: joh, da’s een leeuw! Nee man. Ja echt! Nog verder kijken: he, daar ligt er nog een.. nee twee! Wow, we zien leeuwen! Jammer dat ze zo ver weg liggen. Je mag niet van de weg af, dus moet je het met een verrekijker doen. En nu merken we te meer hoe belangrijk een goeie camera met een grote lens is. Onmisbaar om zulke taferelen op de foto te krijgen. Een 300 mm lens (die we op onze spiegelreflexcamera hebben) is eigenlijk al te weinig, als je echt wild wilt fotograferen moet je minimaal een 400-600 mm lens hebben. Jammergenoeg hebben we geen telelens op de digitale zitten, maar als je wilt weten wat we deze dagen gezien hebben, kom je maar een keer foto’s kijken als we thuis zijn. We hebben de leeuwen iets zien eten (is het een bok of een zebra?), water zien drinken uit een watergat, olifanten bij zonsopgang gezien, ‘kussende’ giraffen, laagvliegende flamingo’s, ja zelfs een luipaard in het hoge gras… te veel om op te noemen. Prachtig! Adembenemend mooi… We hebben de smaak te pakken en vinden het daarom extra gaaf dat we nog een paar wildparken voor de boeg hebben (Kaudum in Namibie en Moremi en Chobe in Botswana).
Op maandag 9 februari rijden we naar Grootfontein, waar we boodschappen doen, e-mail lezen en website bijwerken, de was (laten) doen, dingen voor de auto kopen -onderweg sneuvelt er nog wel eens het een en ander-, laten foto’s ontwikkelen (elke keer groot feest!) en aan het eind van de middag komen we bij de camping ‘Die Kraal’. Blijkt het niet alleen een camping te zijn, maar tevens een steakhouse, waar je o.a. kudu, eland, wild varken en zebra kunt eten. Na een intensieve dag (het lijkt niet zoveel, maar zulke dingen doen kost altijd meer tijd dan je denkt en wilt) vinden we dat we ‘mogen uiteten’ en er wordt eland, kudu en wild varken besteld. Het vlees is niet op de allerbeste manier klaargemaakt, maar toch smaakt het goed, behalve de eland.
‘s Morgens wakker worden met een donkere lucht… en binnen een halfuur een plensbui op je kop, zodat we ons ontbijt in de auto’s opeten. Gezellig om zo te ontbijten… nou ja, niet dus. Op zulke momenten besef je hoe afhankelijk je van het weer bent als je kampeert. We hebben gisteren nog niet alles afgekregen wat we wilden/moesten doen. Peter en Nicolien (P&N) moeten terug naar Tsumeb om de auto uit te laten lijnen en wij zijn nog wel even zoet in Grootfontein, dus spreken we af in Tsumkwe, het volgende dorpje. Aan het eind van de morgen komen P&N terug, rijden door Grootfontein en zien onze Landie’s nog staan: ‘die zijn ook nog steeds hier!’ Dus rijden we, net na de middag, weer met drie auto’s verder. De wegen worden steeds meer ‘Africa’, inclusief potholes en wasboardweg. En weer merken we dat we in het regenseizoen zitten: het klettert tegen de ramen, het onweert fiks… Het lijkt bijna op Neerlands (on)weer.
Tsumkwe is het enige dorpje waar bushmens in vaste huizen wonen, de rest woont in dit deel van het land (noordoost) in hutten in kleine ‘settlements’. De bosjesmensen die hier wonen, zijn wat meer beschaafd: ze dragen bijvoorbeeld gewone kleding i.p.v. geitenvellen. Sowieso is er van de oorspronkelijke bushmens weinig meer over.

Hiervandaan nemen we de weg noordwaarts, richting Kaudom Park. Na 35 kilometer moet een grote baobabboom staan, daar willen we eigenlijk kamperen. Maar de weg is een stukkie slechter dan gedacht en daarom komen we niet helemaal tot de baobab en creeren een ‘bushcamp’: vuurtje (om wilde dieren op afstand te houden), potje macaroni maken en op tijd slapen.
Gebroken veer!?
De volgende morgen (11 februari) rijden we nog een kilometer of 10-15 tot we bij de Dorslandbaobab komen. In dit gebied staan drie grote baobabs: die groot boom, die hol boom en die dorslandboom. Deze laatste dankt zijn naam aan de ‘Dorslandvoortrekkers’ die hier in de vroeg 19e eeuw langs zijn gekomen en hun namen in deze baobab hebben geschreven. Het is inderdaad een geweldig grote boom, waar we op klauteren, genieten en maken weer -zal eens niet zo zijn- foto’s. Omdat Sjoerd iets aan de auto merkte, zit hij weer met zijn hoofd onder de auto… maar deze keer schudde hij welbetekend zijn hoofd. Hier is echt iets mis… Een voorveer gebroken! Hoe zo’n grote en sterke veer gebroken komt, mag Joost weten, maar dat het gebeurd is, is een feit. Ajajajaj!! We kunnen rijden, maar gaan niet zo een 4x4 wildreservaat in. Na overleg rijden we terug naar Tsumkwe. Peter en Nicolien vinden het niet erg om te wachten tot het probleem is opgelost, ze moeten nog heel veel voor hun website doen. Als jullie trouwens mooie foto’s willen zien, moet je een kijkje op hun site nemen: www.2africa.nl. In Tsumkwe bellen we naar een garage in Grootfontein (300 km. verderop) en via via komen we bij iemand in Tsumeb (360 km. verderop) die wel aan een nieuwe veer kan komen. Moet alleen uit Zuid-Afrika komen, dus duurt ff. (‘vrijdagmorgen is het er’) We hadden bij het eerste bezoek aan Tsumkwe bij de ‘dominee/evangelist’ een aantal ‘bushmenvoorwerpen’, zoals pijlen en boog en kettingen gekocht. Hij geeft de mensen eten in ruil voor ‘arts en crafts’ en bij hem hebben we dus dingen gekocht. We vinden de Lodge veel te duur (N$ 55 p.p.voor een camping zonder stroom en warm water) en gaan daarom naar de dominee of hij niet iets weet. Hij heeft nog een weiland waar we wel mogen staan. Er is een pomp waar je water kunt krijgen, wat willen we nog meer? We maken van een nood een deugd, pakken er een biertje bij en knutselen weer het een en ander. Tussen de koeien kamperen is gezellig, maar de vliegen die daarmee gepaard gaan beetje minder… De volgende morgen rond een uur of tien vertrekken Sjoerd en Jan richting Grootfontein/Tsumeb. Omdat het bijna 400 kilometer rijden is op gravelweg, rijden ze vandaag heen, zodat ze morgenvroeg op tijd bij de garage zijn en morgenmidden weer terug kunnen zijn. Als Sjoerd en Jan richting Tsumeb vertrokken zijn, besluiten de andere vier (Peter en Nicolien, Marianne en Jonneke) dat we dit weiland met de vreselijke vliegen gaan verlaten en naar een van de andere baobabs rijden om daar te wachten tot de mannen terug zijn. We kamperen onder zo’n reuzeboom, maken wentelteefjes (! Ja ja en dat in de bush), vluchten regelmatig de auto’s in voor een stortbui, doen een middagdutje, wassen onze haren onder een ‘alternatieve douche’, halen water bij de pomp, schrijven brieven… nou ja, de ditjes en datjes op zulke dagen.

Aan het eind van de vrijdagmiddag komen Jan en Sjoerd weer terug… met veer en al. We hebben gelukkig nog niet veel narigheid gehad, maar met zoiets ben je toch echt blij als het weer opgelost is en we weer verder kunnen. Trouwens, de auto’s hebben echt heel wat te lijden, en als je wilt weten of je auto goed is, moet je een rondje door Afrika rijden. Niet alleen de auto’s ‘slijten’, maar ook onze spullen, boeken en kleren zien er nu al een beetje oud, verbleekt en versleten uit. En niet alleen onze spullen, maar ook wijzelf krijgen sporen en merken van Afrika: rimpels, littekens van de schrammen en vele muggenbulten, beetje meer vet hier en daar…
Hyena’s naast de tent! Nu kunnen we naar Kaudom! Nu is Kaudom wel een beetje een bijzonder reservaat: er zitten namelijk geen hekken om het kamp, al staat er wel een lijn op de kaart. Aangezien olifanten en leeuwen geen kaart kunnen lezen, lopen de dieren dus ook in de (wijde) omgeving van het park. Een kilometer of 30 voor het park merken we dit voor het eerst: Sjoerd gaat ineens bot in de remmen! Olifanten! Wow, ze zijn erg mooi, maar jammergenoeg lopen ze redelijk snel het bos weer in. Omdat het op sommige plekken zo dichtbegroeid en groen is, zie je ze op een afstand van 10 – 20 meter al niet meer. Gaaf voorteken! We houden onze ogen goed open en speuren naar ander wild. Maar de rest van de dag zien we heeeeel in de verte een paar giraffen en een bokje… en verder niets! Da’s jammer. Ook om het kampeerterrein staan geen hekken, dus eten we vroeg en liggen zodra het donker is in bed. Bij de ingang staat een bord dat je ‘s nachts uit moet kijken voor olifanten, leeuwen en hyena’s. De hyena’s horen we al vrij snel: binnen mum van tijd hebben ze de prullebakken omver en als we met de zaklampen schijnen, zie je de oogjes licht geven. Moet je plassen? Uitkijken dus. (of zoals we ons al aangeleerd hebben, in een –goed afsluitbare- bak in de tent plassen, gaat prima)

Ook al moeten er in en in de omgeving van Kaudom ruim 1500 olifanten leven en zien we duidelijke sporen (afdrukken, poep en vers afgebroken takken), we zien uiteindelijk maar 1 olifant! (En die zagen we ook pas als we op het dak van de auto stonden…) Het gebied is geweldig mooi, groen en afwisselend, maar qua wild zijn we duidelijk in de verkeerde tijd. Veel dieren trekken nu verder weg, omdat ze het of te nat vinden of ergens anders ook wel water kunnen vinden. We hadden –ook door de enthousiaste verhalen van Zuidafrikaners- hoge verwachtingen… maar ook die komen blijkbaar niet altijd uit.
Afscheid van Peter en Nicolien Tijdens het rijden in het diepe, mulle zand in Kaudom, merkten Peter en Nicolien dat er ergens iets mis is met de auto… na lang luisteren, proberen en kijken blijkt iets met de tussenbak niet in orde. Ook iets waar je wel mee kunt rijden, maar waar zeker iets aan moet gebeuren. Dus gaan zij nu terug naar Rundu (en als ze daar niet kunnen helpen moeten ze zelfs terug naar Grootfontein) voordat ze verder naar Botswana gaan. Omdat wij wel doorgaan naar Botswana, is het tijd voor afscheid nemen. We hebben het erg naar ons zin gehad en bedanken P&N voor hun gezelligheid, humor, cd’s branden, fotografie-enthousiasme en nog veel meer! Het is supertof geweest!

Onze wegen scheiden heel letterlijk bij de t-splitsing, zij naar links richting Rundu, wij naar rechts richting Divundu. Net voor de grens met Botswana heb je mooie watervallen, de Popa Falls. Als we daar komen, kunnen we er wel kamperen, maar niet bij de watervallen komen. Het water staat te hoog en moet je eerst zwemmen door het stromende water om de watervallen te kunnen zien. Da’s nou jammer. Omdat het nog vroeg in de middag is, rijden we door naar Botswana. Eerder dan we gedacht hadden, zijn we de grens over (grensformaliteiten een makkie trouwens) en maken we kennis met een volgend land. Namibie zal ons bijblijven als het land van de prachtige zonsondergangen, een land van niets met heel veel onverwachte bijzonderheden!
Lees verder bij de verhalen van Botswana!
Route en Waypoints
1. Visrivier Canyon – Hobas Campsite – S 27, 37’, 12”, E 017, 42’, 93” N$ 160 per campsite. Prima site, zwembad aanwezig.
2. Luderitz – Shark Island – S 26, 37’, 58.8”, E 015, 09’, 06.6” 170 N$ per campsite. Erg winderig, koude douche, wel mooi plekje.
3. Sesriem – Sossusvlei duinen- S 24, 29’, 13.6”, E 015, 47’, 57.5” 210 N$ per campsite (tot acht personen), leuke kampplaatsen onder bomen.
4. Swakopmund – Myl 4 Campsite (een paar kilometer richting Hentiesbaai) – S 22, 37’, 30.1”, E 014, 31’, 29” 140 N$ voor 4 personen. Voor 10 N$ heb je een prive douche en wc, met overkapping en braaiplek. Omdat er verder geen schaduw is, een prima oplossing. Trouwens, wel vochtig zo bij de zee.
5. Rhino National Park - wildkamperen
6. Opuwo – Himba Campsite – sorry, geen waypoint.
7. Otjitotongwe Cheetah Lodge – S 19, 35’, 57.9”, E 015, 04’, 17.6” Rondleiding is de moeite waard. Bar en pooltafel aanwezig.
8. Etosha – Halali Camp en Numatoni Camp – prima sites, warme douche en electriciteit, winkel (brood, vlees, groenten, koek, snoep enz.) aanwezig.
9. Grootfontein – Die Kraal ( 6 km. buiten het dorp) Ook een steakhouse, waar je kudu, wilde varken, eland en ander wild kunt eten.
10. Kaudom – South Camp and North Camp – i.t.t. andere berichten is er wel water, een doortrek w.c. en een warme douche. De campsites schijnen overgenomen te zijn door mensen die in de buurt ook een lodge hebben, betekent dat het mooi/beter moet worden
Tips en bijzonderheden
- Zorg altijd voor voldoende water en diesel (en als je dat doet, krijg je echt geen problemen) - In Namibie is (bijna) net zo veel te krijgen als Zuid-Afrika, alleen net iets duurder. - Namibie is een mooi land met aardig wat bijzonderheden, neem –als het kan- er de tijd voor. - Zorg voor pakken suiker, meel, olie enz. om met de (himba)mensen in het noorden te ruilen. - Spreek van te voren bij een Himbadorpje precies af wat je moet betalen, om scheve gezichten te voorkomen. - Wildparken in nov – april niet heel bijzonder, omdat je weinig dieren ziet door het dichte begroeiing. - Internetten vrij prijzig: rond de 5 euro per uur.
terug |
|
|
|